ALBLASSERDAM – Een 21-jarige man uit Nieuw-Lekkerland moet alsnog vijf maanden naar de cel voor een poging tot doodslag op een Alblasserdamse tiener. De Hoge Raad laat vrijdag 23 november 2018 desgevraagd weten dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk is verklaard en dat betekent dat de straf die het Gerechtshof in Den Haag eerder al had opgelegd de definitieve straf wordt.

De Nieuw-Lekkerlander werd in oktober 2016 door de rechtbank veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke celstraf. In de hoop op een lagere straf, ging de man toen in beroep. Het Gerechtshof  in Den Haag bekeek de zaak opnieuw en oordeelde dat de straf die de rechtbank had opgelegd, gelet op de ernst van het feit, juist te licht was en dat een zwaardere straf passend is.  Het Gerechtshof veroordeelde de man tot een celstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, omdat de man zich volgens het Hof schuldig had gemaakt aan een poging tot doodslag op een Alblasserdamse tiener.

BALR
De 21-jarige D. van V. werd er, samen met vier leeftijdsgenoten die niet in hoger beroep zijn gegaan, van verdacht dat hij op 13 december 2015 zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van een jongen uit Alblasserdam. Tegen Van V. werd poging tot doodslag ten laste gelegd. De verdachten zouden eind december, in horecagelegenheid The Abbey op de Dam in Alblasserdam, gedoe hebben gehad over een BALR.-shirt dat het slachtoffer droeg. Het slachtoffer, dat toen 17 jaar was, en zijn oudere broer zouden later op de avond uit The Abbey zijn gezet. Na sluitingstijd (02.00) kwamen de Lekkerlanders, onderweg naar huis, de Alblasserdammers weer tegen op de Plantageweg. Volgens de Nieuw-Lekkerlanders stonden de Alblasserdamse broers ‘uit te dagen’ en waren het juist de broers die de eerste klappen gaven. Dit zou uiteindelijk geresulteerd hebben in een vechtpartij waarbij over en weer klappen vielen.

Knock out
Verdachte Van V. had volgens justitie het slachtoffer met een flinke stomp tegen het hoofd bewusteloos geslagen. Door deze stomp ontstond letsel aan de hand van deze verdachte, waardoor hij een tijd met zijn hand in het gips moest. Na de ‘knock-out-stomp’ zouden twee verdachten met kracht tegen het hoofd, nek en gezicht van de bewusteloze Alblasserdammer hebben geschopt. In het ziekenhuis bleek dat er bij het slachtoffer bloed te zien was tussen het binnenste en het buitenste hersenvlies.

Poging tot doodslag
Het gerechtshof oordeelde dat Van V. zich, samen met zijn mededaders, schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van R. L.. “Hij heeft samen met zijn mededaders opzettelijk gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven door hem eerst tegen de grond te slaan en hem vervolgens met kracht tegen het hoofd, de nek en/of het lichaam te trappen/schoppen, terwijl hij reeds bewusteloos op de grond lag. Aldus handelende heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zijn leven in gevaar gebracht. Daarnaast brengen ernstige feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg,” zo luidde het eerste deel van het arrest van het hof.

Ernstig letsel
De raadsheer van het hof vervolgde: “Het slachtoffer heeft ernstig letsel opgelopen. Er was een bloedspoor zichtbaar tussen het binnenste en buitenste hersenvlies en daarnaast had het slachtoffer een hersenschudding. Er was een stukje kies afgebroken en het slachtoffer had last van zijn kaak alsmede nek- en rugklachten. Dat het letsel van het slachtoffer niet nog ernstiger is, is geenszins aan de verdachte en zijn medeverdachten te danken. Uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer zoals die ter terechtzitting in hoger beroep is voorgehouden, is gebleken dat hij nog altijd kampt met de fysieke en psychische gevolgen die het delict bij hem heeft veroorzaakt. Zijn toekomst is sindsdien ongewis; door geheugen- en concentratieproblemen heeft hij zijn schoolopleiding (Havo) moeten staken.”

Rol
Verder heeft het hof gelet op de ‘substantiële en initiërende rol’ van de verdachte in de geweldshandelingen. De raadsheer stelt: “De verdachte heeft het slachtoffer als eerste geslagen, en wel met een dusdanige kracht,  dat het slachtoffer ten gevolge van die klap bewusteloos op de grond viel. Na de daaropvolgende geweldshandelingen is de verdachte weggegaan, zonder zich nog om het lot van het slachtoffer te bekommeren. Het hof rekent dit de verdachte zeer aan.”

Te lichte straf
De straf die de rechtbank had opgelegd, was wat het gerechtshof betreft niet te zwaar, maar juist te licht. “Gelet op de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer, de straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd, alsmede gelet op de substantiële en initiërende rol van de verdachte in het geweld, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een straf zoals aan de medeverdachten is opgelegd, dan wel zoals door de rechtbank is opgelegd en zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.”

10 maanden
Het hof was – alles afwegende – van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De raadsheer: “De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. Vijf maanden hiervan zullen niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”

Schadevergoeding
Tot slot moet de twintiger, samen met de medeverdachten, 2.525,51 euro betalen aan het slachtoffer. 525,51 is bedoeld als materiële schadevergoeding voor onder meer een kapotte jas en een kapot horloge. De rest van het bedrag, 2000 euro, is bedoeld als immateriële schadevergoeding / smartengeld.

In cassatie
De Nieuw-Lekkerlander liet na de uitspraak van het Gerechtshof weten in cassatie te gaan bij de Hoge Raad; het hoogste rechtsorgaan van Nederland.

De Hoge Raad laat vrijdag 23 november 2018 per mail weten dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad meldt: “De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.”